Door Veerle Vrindts
Het familiefeest, de jaarlijkse poging tot een gezellig familieonderonsje. Op mijn bord een zelf meegebrachte veggieburger, salade waar de spekjes uitgevist zijn en wat gebakken aardappeltjes. Ik prik mijn vork in een gebakken aardappeltje als ik de brommende stem van mijn oom hoor. “Eet jij nu nog steeds als een konijn?”
Ik had niet anders verwacht. Elk familiefeest is er wel een opmerking over mijn maaltijd. De ene keer wil mijn oom weten of mijn schoenen van leer zijn, de andere keer verklaart hij dat aardappelen ook gevoelens hebben. Ondertussen neemt hij een extra grote hap van zijn biefstuk. “Waarom ben jij eigenlijk vegetariër?” vraagt mijn oudste nicht voor het vijfde jaar op rij. Ik heb geen zin om het hele verhaal nog eens te doen, wil gewoon van mijn eten genieten, maar waag toch een poging. “Wel, de productie van vlees…” Mijn moeder kijkt me vernietigend aan vanaf de andere kant van de tafel. Ik zie mijn andere oom, die zelf een klein veebedrijf heeft, zijn vork neerleggen en zijn keel schrapen. Daar gaan we weer…
Elke vegetariër heeft dit wel eens meegemaakt en weet hoe zo’n etentje eindigt. De slagerszoon van de familie onderbreekt je na je eerste zin, zijn vrouw knikt hem toe en voegt eraan toe dat ze in de Libelle las dat je toch écht wel dierlijke producten nodig hebt. Iemand wil weten wat er dan mis is met zuivel, vis of eieren. Wanneer je met een brok in je keel van wal steekt met het verhaal over de ééndagshaantjes in de versnippermachines van de eierindustrie, is de sfeer aan tafel helemaal verpest. De fervente vleeseters eten des te enthousiaster van hun steak, de vrouwen knabbelen met schijnbaar minder smaak op hun vlees en je nicht, die zichzelf een echte dierenvriend noemt, zegt sussend dat ze ook wel diervriendelijk eet; biologisch, als het in de reclame is.
Nergens is de psychologische term ‘cognitieve dissonantie’ zo van toepassing als op deze situatie. Cognitieve dissonantie slaat op de onaangename spanning die ontstaat wanneer je merkt dat je gedrag niet aansluit bij je eigen normen en waarden. Het gaat met andere woorden om het idee van onverenigbaarheid tussen twee cognities, waarbij het woord cognitie slaat op kennis, houding, emotie, geloof of gedrag. Volgens de theorie voelen mensen een sterke drang om dissonanties te verkleinen door hun opvattingen of gedrag aan te passen of te rationaliseren.
Veel vleeseters voelen zich ongemakkelijk bij de manier waarop vlees geproduceerd wordt. Vlees is niet voor niets het voedingsproduct waar wereldwijd de meeste taboes over bestaan. Zeker als je jezelf ziet als een dierenvriend, is het uiterst onaangenaam om tijdens het eten van vlees ‘betrapt te worden’ en ‘terecht te worden gewezen’ door die irritante vegetariër aan tafel. Een discussie is niet eens nodig, de confrontatie met een veggieburger is voldoende. Je kunt dan drie dingen doen: a) je eigen gedrag aanpassen (stoppen met vlees eten) of b) je eigen waarden aanpassen (en de negatieve kanten van vlees wegredeneren) of c) de morele vegetariër proberen te betrappen op eigen tekortkomingen (“Eet je dan ook geen honing? Zijn je schoenen van leer?”). De eerste optie ligt niet voor de hand. Op het moment van de discussie ben je namelijk vlees aan het eten. De tweede en derde optie passen mensen daarom maar al te gretig toe. Als iedereen aan tafel vlees eet, dan kan het toch niet zo erg zijn?
Moraal van het verhaal: het heeft geen zin om als vegetariër de discussie aan te gaan tijdens het familiediner. Wanneer iemand oprecht geïnteresseerd is en meer wil weten, is het handiger om die persoon achteraf even apart te nemen en zonder ‘zicht op vlees’ het gesprek aan te gaan. Natuurlijk is het ook een idee om je familie naar een vegetarisch restaurant te lokken.
Dit artikel verscheen eerder in het PINK! ledenblad Brul.



